Posts tonen met het label FILOSOFISCHE ANALYSE VAN HUMOR. Alle posts tonen
Posts tonen met het label FILOSOFISCHE ANALYSE VAN HUMOR. Alle posts tonen

vrijdag 14 december 2007

Humour and Incongruity

Referentie:

Clark, Michael, "Humour and Incongruity", Philosophy 45 (1970) 171, p. 20-32

Informatief extract:

"The question "What is humour?" has exercised in varying degrees such philosophers as Aristotle, Hobbes, Hume, Kant, Schopenhauer and Bergson and has traditionally been regarded as a philosophical question. And surely it must still be regarded as a philosophical question at least in so far as it is treated as a conceptual one. Traditionally the question has been regarded as a search for the essence of humour, whereas nowadays it has become almost a reflex response among some philosophers to dismiss the search for essences as misconceived. Humour, it will be said, is a family-resemblence concept: no one could hope to compile any short list of essential properties abstracted from all the many varieties of humour - human misfortune and clumsiness, obscenity, grotesqueness, veiled insult, nonsense, wordplay and puns, human misdemeanours and so on, as manifested in forms as varied as parody, satire, drama, clowning, music, farce and cartoons. Yet even if the search for the essence of humour seems at first sight unlikely to succeed, I do not see how we can be sure in advance of any conceptual investigation; and in any case we might do well to start with the old established theories purporting to give the essence of humour, for even if they are wrong they may be illuminatingly wrong and may help us to compile a list of typical characteristics.

In this paper I want to outline a more defensible version of what is probably the most plausible of the traditional theories, the incongruity theory, and to use my version to elucidate the nature of some of the theories which are its apparent rivals. I do not know whether my incongruity theory is satisfactory, but I believe it is more satisfactory than previous versions and deserves to be considered in this stronger form." (p.1)

Creatieve commentaar:

Voor Michael Clark is de "incongruity theory" over humor de meest plausibele. Volgens die theorie zou humor ontstaan vanuit de tegenstelling tussen wat we verwachten en wat gebeurt, tussen hoe we de werkelijkheid denken en hoe die feitelijk is. Ik denk dat dit inderdaad een heel belangrijk gegeven kan zijn voor humor. Maar is het voldoende en is het altijd (voor elke vorm van humor) het geval? Gaat het altijd om die ongerijmdheden? Hoe verklaar je dan dat je nog steeds schaterlacht wanneer je voor de vijfde keer dezelfde episode van Fawlty Towers ziet? Je weet wat er zal komen en het is juist die voorspelbaarheid die het grappig maakt.

De vernieuwde versie van de incongruïteitstheorie die Clark hier voorstelt zou ook de andere theorieën kunnen ophelderen. Dat is interessant. Clark heeft het over "schijnbaar" rivaliserende theorieën. Bedoelt hij dat de drie traditionele theorieën (incongruity, superiority en relief) samenkomen in zijn opvatting over humor?

dinsdag 11 december 2007

Humor en ethiek: The Morality of Laughter

Referentie:

Buckley, F.H., The Morality of Laughter, Ann Arbor: University of Michigan Press, (2005), 256 p.

Informatief extract:

“Before one can laugh, it seems, a sense of humor is needed. Should he lack this, can the agelast – the man who does not laugh – be blamed? If “ought implies can”, we cannot blame those who lack the ability to correct their faults. But this is surely wrong. As Aristotle noted, being moral is not simply a matter of right action; it also involves having the right sentiments. We can and do blame those whose feelings are inadequate, who cannot feel friendship, love, patriotism, anger, or joy when these are called for. Few things repel us more than someone like Camus’s Meursault, the antihero of L’Etranger, who is entirely incapable of sympathy for others. Imagine someone who is chastised for smiling at a funeral. “I’m terribly sorry.” He explains, “ but the fact is I don’t feel anything.” Far from excusing the apparently heartless behaviour, the comment exacerbates it. We do blame people for bad feelings and for the absence of feelings. Rather than glower, the agelast should permit himself to relax and enjoy the lightness of laughter. Alternatively, we might blame people for their feelings, whether or not they can change them, because they are constitutive of their identities and personhood. We blame the sociopath for his lack of affect and the narcissist for his overweening love of praise. These are vices at the heart of his soul, and in such cases we cannot hate the sin without hating the sinner. So too, we curl our lips in distaste at those who seem unable to experience the joy of laughter.” (p. 15)

Creatieve commentaar:

In dit artikel wordt volgens mij niet zozeer gezocht naar de moraal, de ethische motieven achter humor en lachen. De vraag lijkt me eerder of het moreel verantwoord is om iemands gebrek aan humor te veroordelen. Stel dat iemand geboren wordt met een duidelijk zichtbare fysieke handicap. Niemand zal dat die persoon kwalijk nemen. Wat is het verschil met een constitutief gebrek aan humor? Er zijn voorbeelden gekend van mensen met een (al dan niet) aangeboren hersenbeschadiging waarbij de persoon in kwestie op de meest onmogelijke momenten begint te lachen of te huilen. Misschien ligt het verschil in het duidelijk sociale aspect van humor en lachen. Het wordt aangevoeld als een gebrek aan inlevingsvermogen bij iemand die niet lacht om mijn grap of iemand die niet meeleeft met mijn verdriet (zoals in het voorbeeld van de persoon die lacht op een begrafenis). We voelen ons dus persoonlijk aangesproken door iemands gebrek aan humor of ongepaste humor.

Humor en ethiek: Dialogic Ethics and the Virtue of Humor

Referentie:

Basu, Sammy, "Dialogic Ethics and the Virtue of Humor", Journal of Political Philosophy 7 (1999) 4, p. 378-403

Informatief extract:

“Humor warrants inclusion in any robust conception of liberal-democratic dialogic ethics. It occupies a middle ground between the ideal-speech Habermas recommends for dialogue on the one hand and the dissembling taciturnity Shklar attributes to the liberal polity on the other. Humor functions by exposing an incongruity and reconciling it at a different level of awareness. As such, it places a mischievous fluidity at the core of virtuous subjectivity, which cognitively, dispositionally and politically facilitates the dialogic relationships vital to liberal-democracy. Incorporating humor into what might be dubbed an 'ironic speech situation,' also, more specifically, alleviates the problems of legitimation, motivation and language attributable to Habermas.” (abstract)

Creatieve commentaar:

Ik heb het volledige artikel nog niet gevonden, maar het abstract maakt me wel nieuwsgierig. Zou Habermas zelf iets gezegd hebben over het belang van humor binnen de ethiek van het dialogeren? Humor lijkt me onontbeerlijk voor elke vorm van dialoog, voor elke inter-subjectieve relatie.

vrijdag 7 december 2007

Humor en ethiek: Aristoteles over geestige mannen

Referentie:

Hutchinson, D.S., "Ethics" in: The Cambridge companion to Aristotle, Edited by Barnes, Jonathan, Cambridge: Cambridge University Press, 1995, p.195-233


Informatief extract:

"Witty men are good company, both because they can make good jokes and pleasantries and because they can be amused by the onse we make. This can be taken to far, of course, if you make jokes that break the bounds of good taste, as buffoons do. Aritotle is quite careful to respect the limits of good taste, preffering innuendo to indecancy in his entertainments, and suggesting that there should perhaps be laws prohibiting jokes on certain topics. Most men are overinclined to amusement, and "the ridiculous side of things is not far to seek", but on the other hand there are some unpolished and uncivilized men who contribute nothing to the pleasure of social life and cannot be amused. (EE 1234a4-23, NE 1127b33-28b4)" (p. 225)

Creatieve commentaar:

Ethiek als richtlijn voor het goede leven. Hoe moet men leven om een goed mens te zijn? Bij Aristoteles hoort geestig zijn daar blijkbaar bij. "Witty" kan vertaald worden als geestig én als verstandig of wijs. Wellicht gaan beide betekenissen samen voor Aristoteles. Geestig zijn is een teken van beschaving, zolang de geestigheid binnen de grenzen van de goede smaak blijft.

Wie bepaalt dan wat goede smaak is?

dinsdag 4 december 2007

Humor en ethiek: Lachen en treuren in de ethiek

Referentie:

Zwart, Hub, "Lachen en treuren in de ethiek", Ethische perspectieven 7 (1997) 2, p. 165-169.

Informatief extract:

"Bij nader inzien blijkt het verband tussen humor en ethiek oeroud. Misverstanden dienaangaande hangen vermoedelijk samen met het feit dat er sinds mensenheugenis twee ethische genres naast elkaar bestaan. Enerzijds de ethiek als een ernstig, academisch genre waarin doorgaans (in abstracte termen en op verheven toon) een klaagzang op de actualiteit ten beste wordt gegeven. Daarnaast is er echter een tweede genre, de traditie van het moralisme. De betreffende auteurs blinken uit in scherpzinnige observaties en geestige notities, aangeduid als ‘maximen’ of ‘aforismen’. Bekende vertegenwoordigers zijn La Rochefoucauld, Lichtenberg en Nietzsche. In de middeleeuwen stond deze traditie te boek als la gaya sienza, de vrolijke wetenschap.

Het opvallende is dat beide genres teruggaan op een en dezelfde filosofische gestalte, namelijk Socrates. De grondvester van de filosofie was een komiek, de Socratische dialoog moet tot de komische genres worden gerekend (al zijn vertalers nogal eens geneigd de tekst ernstiger, plechtstatiger en technischer te maken dan hij eigenlijk is).
Neem bijvoorbeeld de sterfscène van Socrates in Phaedo. Hegel noemt deze scène echt tragisch (1971, p. 514, cf. p. 446) maar Socrates toont zich tot op het laatst een spotter. Zijn beroemde ‘laatste woorden’ spreken wat dat betreft boekdelen: “Crito, wij zijn Askleipios een haan schuldig”. Askleipios was de Griekse god van de geneeskunst aan wie men destijds een haan offerde wanneer men van een ziekte was genezen. Socrates geeft met zijn kwinkslag te kennen het leven als een ziekte te beschouwen waarvan hij door de dood genezen wordt. De laatste taaldaad van deze aartskomiek is een grap uit een lange reeks waarmee hij de draak steekt met de tragische levenshouding van eerdere generaties, wier gehechtheid aan het leven immers de mogelijkheidsvoorwaarde voor het tragische was. Want alleen indien de held gehecht is aan het leven, kan de bereidheid om (met het oog op een nog hogere waarde) van het leven afstand te doen, als tragische keuze worden ervaren. Socrates daarentegen wil op geestige wijze benadrukken dat deze tragische gehechtheid aan het leven iets lachwekkends is. Phaedo laat zich dan ook lezen als één filosofische parodie op de tragische levenshouding der Grieken (Zwart, 1996)." (p.165)

Creatieve commentaar:

De evolutie van de relatie tussen humor en ethiek wordt geschetst beginnende bij de Griekse oudheid (Socrates) tot aan de hedendaagse filosofie (MacIntyre). Het artikel legt uit waarom (tegenwoordig) ethiek eerder met tragedie dan met komedie in verband wordt gebracht. Ook hier komt het begrip "de filosofische lach" terug, maar het gaat ook over lachen als fysiologisch fenomeen, over de "practical joke"...

Is Humorisme humor? Is humor humoristisch?

Referentie:

Koops, Bert-Jaap, "Is Humorisme humor? Is humor humoristisch?" resencie van: Pirandello, Luigi, "L'umorismo' (oorspronkelijke uitgave: Pirandello, Luigi, Opere di Luigi Pirandello. Volume VI: Saggi, Poesie, Scritti varii, Milano: Mondadori, 1960, p.15-160), http://rechten.uvt.nl/koops/UMORE.HTM (geraadpleegd op 04.12.2007)

Informatief extract:

"Een titel als L'umorismo (Het humorisme) (1904) doet in eerste instantie denken aan een wat luchtige verhandeling over grappenmakerij. Niets blijkt minder waar. Het gaat Luigi Pirandello in zijn essay niet om komische, nonserieuze humor, maar om een bepaald gevoel van tegenstrijdigheid dat een essentiëel onderdeel is van iemands wereldbeeld en levenshouding. Humorisme heeft bitter weinig te maken met humor. Of toch?
Wanneer men humor benadert als serieus communicatiemiddel blijkt Pirandello's humorisme wel degelijk te vallen onder humor, maar dan als een specifieke invulling. Serieus gebruik van humor kan zich namelijk op verschillende wijzen manifesteren.
Aangezien er vreemd genoeg in bijna elke omschrijving van humor ook het tragische binnengehaald wordt, bestaat er een groot verschil tussen theorievorming en het dagelijks woordgebruik met betrekking tot humor. Men kan dan òf de definitie sterk inperken (waarbij men waarschijnlijk uitkomt bij een omschrijving van "het komische") òf accepteren dat de term veel meer omvat dan men in eerste instantie denkt. In dit artikel kies ik voor de laatste benadering en zal ik een aantal van die (schijnbaar) tragische vormen beschrijven, zoals die in literatuur voorkomen. Ik zal mij hier beperken tot deze ernstige vormen van humor, dat wil zeggen vormen die gebruikt worden om iets zeer wezenlijks over te brengen, wat zonder humor veelal niet bereikt zou kunnen worden. Meer dan een eerste aanzet tot een "typologie" van humor kan ik in dit bestek niet geven.
Humorisme als ernstige vorm van humor. Een kunstenaar kan het gebruiken om zijn specifieke wereldbeeld vorm te geven. De wereld van Pirandello is echter in een zodanige crisissituatie terechtgekomen, dat het haast de enige manier wordt om kunst te scheppen. L'umorismo is vooral een eigentijdse poëtica, ook al benadert Pirandello het fenomeen diachroon en theoretisch. Interessant is dan ook te zien in hoeverre deze poëtica door Pirandello in zijn eigen romans gerealiseerd wordt.
Aangezien er geen gangbare vertaling van L'umorismo bestaat, zal ik beginnen met een uitgebreide samenvatting, en zal ik in het algemeen veel citeren -de uitdrukkingswijze van Pirandello is nogal onnavolgbaar en veeleer poëtisch dan analytisch. Wat dat betreft zal ik in mijn beschrijving van humorisme als humor wellicht eerder in de geest van L'umorismo redeneren dan de letter ervan volgen.
Er zit veel waars in Eco's virtuoos gechargeerde opmerking dat Pirandello's essay 'een metafysisch tractaatje over alles, of over Alles wordt', maar dat 'het enige dat het niet definieert het humorisme van Pirandello is'. Zijn (humoristische) conclusie dat het essay 'eerder dan het humorisme te definiëren, zichzelf definieert als weer een (humoristisch?) toneelstuk van Pirandello' is zo gek nog niet. Maar dat belet mij niet Pirandello's aanzet over te nemen en uit te breiden tot een wat bredere typologie van ernstige humor in literatuur." (uit: Inleiding)

"Het humorisme bestaat uit het gevoel van het tegengestelde, dat teweeggebracht wordt door de bijzondere activiteit van de bespiegeling die zich niet verstopt, die niet, zoals normaliter in de kunst, een vorm van het gevoel wordt, maar haar tegengestelde, terwijl het stap voor stap het gevoel volgt, zoals de schaduw het lichaam volgt. De gewone kunstenaar let alleen op het lichaam: de humorist let op het lichaam en de schaduw, en soms meer op de schaduw dan op het lichaam." (uit: 2.1. Humor als halszaak)

Creatieve commentaar:

Dit is een uitgebreide bespreking van Pirandello's L'umorismo.

Op schitterende wijze wordt uitgelegd wat de verschillen en de overeenkomsten zijn tussen humor en humorisme. In het tweede deel (over de essentie, eigenschappen en object van humorisme) gaat het over humoristische kunstwerken, vooral in de taal. Vanuit de verwondering om de verschillen tussen de "kleine eindige wereld en het oneindige idee" ontstaat de "filosofische lach". Dit innerlijk proces wordt als het ware veruitwendigd in een humoristisch kunstwerk. De retorica zou volgens Pirandello nefast zijn voor het creëren van humoristische kunstwerken. Humorisme veronderstelt een zekere innerlijke vrijheid. Wordt die vrijheid dan aan banden gelegd door de retorica?

Waarom neem ik dit boek op in een filosofisch LAB? Luigi Pirandello was een Italiaans schrijver. Maar zijn werk handelt, naar mijn mening, over filosofische thema's (identiteit, bewustzijn, levenskunst). Ook humor in al zijn facetten wordt op een filosofische manier onderzocht. Het gaat niet alleen om het taalkundig definiëren van wat humor is, maar ook om het zoeken naar de essentie en de mogelijkheidvoorwaarden ervan.

maandag 3 december 2007

Taking Laughter Seriously

Referentie:

Morreall, John, Taking Laughter Seriously, Albany NY: State University of New York Press, 1983, 158 p.

Informatief extract:

"Part one of this book reviews three traditional theories of laughter: the superiority, incongruity, and relief theories. After showing that none of them is comprehensive, I offer my own theory, according to wich laughter results from a pleasant "psychological shift". Part two is an appreciation of humor as a kind of aesthetic experience, as a mechanism of mental liberation, as a social lubricant, and as a way of interpeting one's life as a whole.

John Morreall, professor of religion at the College of William and Mary, has been studying humor for more than 25 years. He is the current president of the International Society for Humor Studies." (uit: covertekst)

Creatieve commentaar:

Als Morreall humor ziet als een mechanisme "of mental liberation" zullen er toch wel overeenkomsten zijn tussen zijn zogenaamde nieuwe (4e) humor-theorie en de klassieke "relief theory".

Ik heb het boek zelf nog niet gevonden. Het is zelfs moeilijk om aan gedetailleerde informatie te komen over de inhoud ervan (boverstaande covertekst vond ik op internet). Maar er wordt wel heel vaak naar gerefereerd, vooral in artikels en websites over humor en religie. Dus, hoewel dat in bovenstaand abstract niet duidelijk naar voren komt, zal het boek wellicht ook over die relatie gaan.

Laughing at nothing. Humor as a response to nihilism

Referentie:

Marmysz, John, Laughing at Nothing. Humor as a Response to Nihilism, Albany: SUNY Pr, 2003, 250 p.

Informatief extract:

"Disputing the common misconception that nihilism is wholly negative and necessarily damaging to the human spirit, John Marmysz offers a clear and complete definition to argue that it is compatible, and indeed preferably responded to, with an attitude of good humor. He carefully scrutinizes the phenomenon of nihilism as it appears in the works, lives, and actions of key figures in the history of philosophy, literature, politics, and theology, including Nietzsche, Heidegger, Camus, and Mishima. While suggesting that there ultimately is no solution to the problem of nihilism, Marmysz proposes a way of utilizing the anxiety and despair that is associated with the problem as a spur toward liveliness, activity, and the celebration of life." (Abstract)

Creatieve commentaar:

Humor wordt hier bestudeerd binnen de context van het fenomeen nihilisme, wat voor mij alweer een nieuwe (en onverwachte) invalshoek is. Welke uitweg uit nihilisme kan humor bieden? De auteur noemt nihilisme een onoplosbaar probleem, maar bestrijdt tegelijkertijd dat nihilisme uitsluitend negatief zou zijn. Had Nietzsche het ook al niet over het negatieve en positieve karakter van nihilisme? Wellicht niet letterlijk, maar zou het zo niet geïnterpreteerd mogen worden? Het wegvallen van alle waarden en waarheidsidealen (negatief nihilisme) maakt ruimte voor het scheppen van nieuwe waarden (positief nihilisme). De metafoor van het kind in Aldus sprak Zarathustra, de levensbevestiging, het erkennen dat het leven niets is dan het leven, gaat dat niet over positief nihilisme? Op dat niveau is er zeker plaats voor humor.

De referentie en abstract heb ik gevonden in The Philosopher's Index Vol 40, no 1, first quarter 2006. De volledige tekst is helaas niet electronisch beschikbaar.

Drie traditionele theorieën over humor binnen de filosofie

Referentie:

Lemma "Humour", in: Routledge Enceclopedia of Philosophy, London: Routledge, Version 1.0.

Informatief extract:

"What is meant by saying that something is humorous or funny? It is clear that humorousness must be elucidated in terms of the characteristic response to humour, namely humorous amusement, or mirth. It is plausible to define humour in this way: for something to be humorous is for it to be disposed to elicit mirth in appropriate people through their awareness or cognition of it, and not for ulterior reasons. But this invites the question, ‘What is mirth?’ The three leading ideas in philosophical theories of humour are those of incongruity, superiority and relief or release. Although the perception of incongruity is often involved in finding something funny, and the resolution of a perceived incongruity plays an important role in good humour, none of these, in themselves or combined with others, is capable of capturing the concept of mirth. Mirth is not identical with the pleasurable perception of an incongruity, pleasure in feeling superior, the relief of tension or release of accumulated mental energy, or any combination of these elements. A better account of mirth is that it is a certain kind of pleasurable reaction which tends to issue in laughter if the reaction is sufficiently intense. So something is funny if it in itself pleases appropriate people through being grasped, where the pleasure is of the sort that leads, though not inevitably, to laughter.

Incongruity theorists include Schopenhauer, Hazlitt, Kierkegaard, A. Koestler, D.H. Monro and
perhaps Kant.

Superiority theorists, who include Aristotle, Thomas Hobbes, Alexander Bain and Henri Bergson , construe humour as rooted in the subject’s awareness of superiority, in some respect, to the humorous object.

Spencer and Freud, the most well-known relief theorists, locate the essence of the humorous in the relief from psychic constraint or the release of accumulated mental energy that it affords."

Creatief commentaar:

Dit encyclopedieartikel was de aanzet voor mijn zoektocht naar wat er binnen de filosofie allemaal al gepubliceerd werd over humor. Wat is "grappig", wat is "humor"? Het zijn vragen die me al lang boeien. Velen zullen antwoorden: "Het is iets persoonlijks: je vindt het grappig of je vindt het niet grappig. Zo simpel is het." Neen, ik geloof niet dat het zo eenvoudig is.

zaterdag 1 december 2007

Homo ludens homo ridens, en de lachende aap

Referentie:

Van Hooff, Jan, "Homo ludens, homo ridens, en de lachende aap", Antenne (2004) p. 40 - 44.

Informatief extract:

"De mens is een ‘eigen’-aardig zoogdier, zoals trouwens elke diersoort, ja elke levende soort zijn eigen geaardheid heeft. Ook onder ‘ons soort dieren’, de primaten, valt onze eigen-geaardheid bijzonder in het oog. Of dat alleen maar een gevolg is van het feit dat we het over onszelf hebben...? " (p.40)

"Maar toch, er lijken van die domeinen te zijn waarin de mens zich wezenlijk onderscheidt van zijn verwanten. Een daarvan is humor. Want wat is humor? Van Dale zegt er dit over: het is het "oog en gevoel voor vrolijk makende tegenstrijdigheden tussen voorkomen en bedoeling of betekenis van zaken, handelingen en gebeurtenissen, en de neiging het vrolijk makende in gebeurtenissen het meest te doen uitkomen". De Engelse Webster Dictionary omschrijft humor als: "the mental faculty of discovering, expressing and appreciating ludicrous or absurdly incongruous elements in ideas, situations, happenings or acts". Wel, dit lijkt een mate van relativerend bewustzijn te veronderstellen, dat we toch moeilijk aan dieren kunnen toekennen.

In een lemma over humor in het Encyclopaedisch Handboek van het Moderne Denken uit 1950 legt een zekere Dr. Proost het accent nog iets anders: "Iemand die oog heeft voor het kleine en betrekkelijke van het menselijke doen en laten is een humorist. Wij kunnen het doen der mensen met een lach en een traan bezien. Humoristisch is dus volstrekt niet: is-gelijk-aan-grappig. Veel dichter ligt de humor, als hoogste vorm van het komische, bij het tragische". Nu, dat laatste kun je aanvechten; het is maar wat je als ‘hoog’ beschouwt. In ieder geval hebben de meeste auteurs toch vooral het element van vrolijkheid, zoals zich dat uit in de lach, met humor geassocieerd, en zeker niet het element van droefheid, dat we juist met huilen verbinden. Maar goed, is ook de lach niet een uniek menselijk gedragspatroon? Het is niet zo moeilijk om in de literatuur uitspraken op te sporen in de geest van: De Mens, het enige levende wezen dat lacht." (p.40-41)

"Homo sapiens munt niet alleen uit in zijn ‘weten’, hij is ook bij uitstek de lacher, Homo ridens. De cultuurfilosoof Huizinga heeft het goed begrepen, hij was namelijk ook Homo ludens, de altijd speels blijvende aap, de humoraap." (p.44)

Creatieve commentaar:

Dat artikel gaat op zoek naar de evolutionaire oorsprong van humor en lachen. Het is echter geen biologisch maar een filosofisch onderzoek. Het is een zoeken naar de essentie van de mens. Maakt humor de mens tot mens? De mens is niet alleen het "rationele beest", hij is ook het "lachende beest".

zaterdag 17 november 2007

Humor en ethiek: Comic Normativity and the Ethics of Humour

Referentie:

Percival, Philip, "Comic Normativity and the Ethics of Humour", The Monist- An International Quarterly Journal of General Philosophical Inquiry 88 (2005) 1, p. 93-120.

Informatief extract:

"One species of comic moralism holds that being sexist or racist impacts negatively on funniness. An argument for it proceeds from two premises: (A) It is morally wrong to be amused by something sexist or racist, and (B) The property x possesses just when it is morally wrong to be amused by x impacts negatively on x's funniness. Whereas Jacobson and d'Arms grant (A) before attacking (B), difficulties for (A) are raised and a novel case for (B) developed employing McDowell's "silencing" doctrine. Ultimately, this case fails, however: silencing doesn't yield the species of comic moralism (B) expresses." (abstract)

Creatieve commentaar:

Het is moreel onaanvaardbaar om geamuseerd te zijn door "something sexist or racist". Is een grap over een bepaalde sexe of ras persé sexistisch of racistisch? Ik geloof het niet. Waarom mogen we wel lachen met, zeg maar, Prins Philippe (Geert Hoste verdient er zijn boterham mee) en niet met een grap over "de vrouw" of "de jood". Het is toch pure discriminatie om een volledig ras, volk, geslacht uit te sluiten van humor. Maar het is een moeilijke kwestie. Wat zijn de (ethische) grenzen van humor en wie of wat bepaalt die grenzen? Bepalen we zelf als individu wat we grappig vinden of niet? Is het de context waarin we ons bevinden? Is het cultureel bepaald? Waarschijnlijk wel. Het getuigt van weinig respect en een gebrek aan fijngevoeligheid om een grap te maken waarvan je weet dat die kwetst. Maar, stel dat een grap binnen een bepaalde cultuur ongepast is, zou er dan geen enkel lid van die cultuur om kunnen lachen? Of op z'n minst erkennen dat het om humor gaat? Volgens mij is het eerder de intentie dan de inhoud van de grap die bepaalt of die sexistisch of racistisch is, en dus moreel af te keuren.